Home > ADD of Grenswerk > Mijn besluit!

Mijn besluit!

De pijn in zijn ogen, mijn vaders ogen, ik zie ze wanneer ik versuft wakker word. Mijn hart breekt maar ik barst in lachen uit. Ik maak een grap: “Wat doen die mensen hier allemaal, is er iets te doen?” Hij draait zich om en loopt weg. Vlug richt ik mijn blik op de anderen in de kamer. Eén van mijn vriendinnen roept kutwijf. Ik merk dat ze weg wil gaan maar toch ook niet. In plaats daarvan kijkt ze Marthe, een andere vriendin, aan. Hun blikken zijn veelzeggend, ik ken ze als geen ander, maar ze zijn zoveel kwetsbaarder dan anders. Ik durf niets meer te zeggen, bang dat de boel in elkaar stort wanneer ik mijn mond opentrek. Want wat er voor woordenstroom door mijn hoofd raast, zal niet op prijs gesteld worden.  Mijn moeder huilt en stelt vragen waar ik geen antwoord op heb. Ik durf haar niet aan te kijken.  Als laatste in de kamer staat mijn broer, mijn grote sterke broer, die gebroken in een hoekje tegen de muur hangt. Hij kijkt van een afstand naar het bed waar ik in lig.

Het plan was af. Maandenlang voorbereidingen getroffen, verzekeringen afgesloten, mijn huis opgeruimd. Het zou de mooiste dag zijn. Ik zou zoveel plezier maken nog die dag. Al mijn vrienden nog een keer zien, samen dansen, samen lachen. De avond ervoor heb ik met het gezin gezellig gegeten. Een heerlijk samenzijn, dat was het. Alles viel op zijn plaats. Voor ik wegging heb ik iedereen geknuffeld. Voor hen niets raars, geen zorgen, ik met mijn gekke sprongen deed dat zomaar spontaan. Zoals ik altijd zomaar vanuit het niets ineens kan staan dansen in de woonkamer, kan ik ook spontaan iedereen een knuffel geven. De volgende ochtend moesten we regionaal een competitiewedstrijd spelen met de meiden. Niet alleen de meiden maar de andere waren niet belangrijk. We stapten de bus in, waar het direct duidelijk werd dat het een enorm gezellige dag zou worden. Een ongeregelde puinhoop, zoals het hoort. Zelfs de wedstrijden werden gewonnen en met een voldaan gevoel keerden we terug huiswaarts. Zoals afgesproken gingen wij met mijn z’n allen uit eten. Een seizoensafsluiting en vanavond het eindfeest van de eigen competitie. Na het eten vertrokken we naar de zaal waar het feestje zou plaatsvinden. De Angels, mijn vriendenclub, moesten ook hun prijs afhalen. We hadden het goed gedaan, promoveren! Toen iedereen zijn bekers en rode lantaarns had opgehaald, kon de muziek los.

Zoals het de Angels betaamd, stonden zij als eerste op de dansvloer. Ik heb nog even staan kijken naar de meiden. Stuk voor stuk geweldig, zou ik ze gaan missen? Of mis ik dan niemand meer? Lang kreeg ik niet om na te denken, ik werd door één van hen de dansvloer op getrokken. “Dit is ons nummer,” was het argument. De hele avond zijn we er niet meer vanaf gegaan, de dansvloer was van ons. Veel te vroeg ging dan ook het licht aan en hielden de speakers hun mond. Terug naar de stamkroeg dan maar, dat werd ons nieuwe plan. Daar aangekomen, hebben we het feestje nog even doorgezet.  Ik keek op mijn horloge, het was alweer voorbij vieren. Ik moest eens gaan. Ik heb mijn vrienden geknuffeld en mijn dog tag  weggeven met daarop mijn levensmotto. Die had ik namelijk toch niet meer nodig.

Eenmaal thuis heb ik mijn muziek aangezet. Ik legde alvast pen en papier klaar, maakte de badkamer gereed en pakte mijn verzameling erbij. Een goede voorbereiding is het halve werk. Een fles bessen erbij en slikken maar die handel. Je voelt er niets van. Mijn moment! Totdat totaal onverwacht mijn vriendinnen ineens binnenstapten. De ene pakte de fles drank en gooide hem weg. De ander ging de strijd met mij aan. We vochten. Het ging er hard aan toe, maar ik raakte uiteindelijk versuft. Ik verloor de strijd. Zij pakte me stevig vast, ik kon geen kant meer op. Mannen met felgele jassen kwamen mijn huis binnen. Daarna was er niets anders meer dan een zwarte leegte.

Er komt een man in een witte jas de kamer binnen. De kamer met een wit plafond. Het straalt steriliteit uit, de geur die mijn zintuigen prikkelt bevestigd dat. De witte jas mompelt of iedereen even de kamer uitgaat. De aanwezigen naast mijn bed vertrekken en er komt een zustertje binnen. Ze vraagt naar mijn naam. Nu pas besef ik dat ik in het ziekenhuis ben. Meteen word ik erg dwars. “Dat weet je vast al,”zeg ik. “Zullen we je dan maar wijsneus noemen of bijdehand?” vraagt ze. Heb ik weer, iemand die grappig is. Alhoewel, ze denkt dat te zijn. Ze vertelt me wat ze gaan doen. Ondertussen hoor ik dat er wordt gevraagd wat ik allemaal ingenomen heb. Er wordt een lading medicijndoosjes op een kast leeggegooid. Ik vind het allemaal wel grappig en wil me ook daar nog even mee bemoeien. Maar voor ik iets kan zeggen, komt de zuster ertussen. Ik snap niet helemaal wat ze van me wilt. “Laat me gewoon met rust, ik voel me kiplekker”. Ik voel mij voornamelijk heel erg stoned en ontspannen, een heerlijk gevoel. “Laat me met rust,” zeg ik nogmaals. Helaas is dat niet het geval en besluiten ze zwarte troep via mijn slokdarm in mijn maag te gooien. Ze zijn hierin niet al te flauw, duwen een buis door je strot en daar gaat het zwarte goedje in. Vervolgens spoelen ze boel ook nog eens goed door met water. Nee, niet gewoon  drinken, alles gaat door dezelfde buis. Een andere keuze als mezelf maar zoveel mogelijk te ontspannen heb ik niet. Bij elke beweging lijk ik te stikken of te verzuipen. Ik voel het koude water door de buis glijden. Ik kan niet zien hoe het er uitziet maar uiteindelijk komt er helder water terug uit de buis. We zijn klaar. Het gezelschap mag weer naar binnen. Ik ben mijn humor nog niet verloren en maak flauwe grappen.  Ik vind ze zelf helemaal geweldig maar niemand lacht met mij mee. De witte jas zegt me te gaan slapen maar ik heb weer iets leuks gevonden. Ik speel met mijn hartslag. Erg leuk dat je dat piepje kunt doen veranderen. Terwijl mijn ouders maar even de kamer verlaten, zegt mijn vriendin erg streng dat ik nu moet stoppen met die grappen en gewoon moet luisteren naar de witte jas. Ik stop mijn verzet, binnen no time ben ik weg.

’s Nachts schrik ik wakker van de pijn in mijn onderarm. Nog versuft trek ik het infuus eruit. Ik weet niet waar ik ben. Ik hoor piep, piep, piep en raak in paniek. Ik slaak een gil en barst in tranen uit. Weg wil ik hier. Voor ik uit bed kan stappen, komt er een man de kamer binnen. Hij beveelt me te blijven liggen en vloekt als hij ziet dat het infuus eruit ligt. Vervolgens gaat hij lastige vragen stellen, vindt mij een egoïst. Hardhandig zorgt hij dat het infuus weer op zijn plek zit en vertrekt. Ik durf niet te bewegen, al snikkend val ik weer in slaap.

Wanneer ik wakker word, staan mijn ouders naast het bed. Ik ben goed wakker, helder, en ik wil naar huis. Mijn vader vertelt me dat de dokter net nog is geweest. Er moet nu eerst een psychiater langskomen die mij gaat beoordelen voor ik mijn ontslag krijg. Ondanks dat ik zeg dat ik dat niet nodig vind, lijk ik geen keuze te hebben. Het wachten is op de man die gaat vertellen dat ik geen gevaar vorm voor mezelf en dus naar huis kan. Een makkie dus. Heeft mijn studie me toch nog wat opgeleverd want ik weet precies wat te zeggen om niet voor gek verklaard te worden. Ze kunnen me hier niet houden als ik mijn betoog heb gedaan, hoe graag ze dat ook willen. Het wachten duurt lang. Mijn ouders zijn veel te lief voor mij en ik verveel me stierlijk. Tegen het eind van de middag komt hij dan eindelijk. Gewoon in spijkerbroek, gewapend met een schrijfblok in de hand. Op al zijn vragen heb ik een goed bedacht antwoord en ik mag naar huis.

Het is 17 mei 2009, ik mag naar huis. Ik dwing mijn ouders mij af te zetten in mijn eigen appartement. Onderweg bel ik mijn vriendinnen om te vertellen dat ik inmiddels onderweg naar huis ben. Ik bel ze omdat mijn moeder hierop staat, een compromis dus. Maar wanneer ik aan de andere kant van de telefoon de reactie van Marthe hoor, heb ik spijt. Ik krijg de keuze van haar dat ik óf met mijn ouders mee naar huis ga óf dat ik bij haar en haar man kom logeren. Ik kies voor het laatste in de hoop dat ik daarmee de optie kies waarbij ik het snelst weer in mijn eigen bed mag slapen van iedereen. Mijn ouders zetten mij toch wel opgelucht af. Ik kruip op de bank met een deken, terwijl zij met Marthe overleggen. Mijn vermoeidheid is te groot om mezelf daar nog mee te bemoeien. Mijn ouders vertrekken en Marthe komt bij me zitten. Ik heb geen woorden meer over om haar iets te vertellen. Ze trekt mij tegen zich aan en zo val ik in slaap. Wanneer ik wakker word, brengt ze mij naar mijn kamer en geeft me shirt. Zonder tegenstribbelen stap ik in bed.

Tegen de middag word ik wakker en ga naar beneden. In stilte drinken we koffie en eten we een broodje. Marthe wijst me waar ik handdoeken kan vinden, voor ik onder de douche spring. We spreken af daarna te gaan zitten voor een goed gesprek. Wanneer ik de stralen van het water over mijn lijf voel, probeer ik te verzinnen wat de juiste antwoorden zullen zijn. De antwoorden die ervoor zullen zorgen dat ik zo snel mogelijk niet meer onder controle van Marthe sta. Zolang ik hier in huis ben, zal ik vierentwintig uur per dag in de gaten worden gehouden. Fris gedoucht, met een masker der zelfvertrouwen op mijn gezicht, ga ik aan tafel zitten. Het gesprek duurt niet lang. Ik hoef geen stortregen aan moeilijke vragen te beantwoorden. Er is maar één vraag waar ik een week over na mag denken. Volgende week maandag moet ik een antwoord geven op de volgende vraag: Is deze maandag de laatste dag of de eerste nieuwe dag van de rest van mijn leven?

Advertenties
  1. jacqueline braat
    15 april 2011 om 3:21 pm

    mooi geschreven maar wel een heftig verhaal! Fijn dat Marthe je vriendin is en een betere vraag had ze je niet kunnen stellen!

  1. No trackbacks yet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: